Ik wil een Cane Corso

Pupinfo en Herplaatsers

Socialisatie

Leren in een vroeg stadium

De hersenen van een 1 dag oude pup, die uiteindelijk uit zal groeien tot een volwassen hond van 30 kilo, zijn erg klein, maar zo’n 10 kubieke cm groot, ongeveer het formaat van het bovenste vingerkootje van een volwassen mens. Wanneer de pup 8 weken oud is hebben zijn hersenen ongeveer 5 x hun oorspronkelijke volume en zijn ze al bijna 60 kubieke cm. Na nog eens 8 weken hebben de hersenen de omvang van 80 cc. Ergens in de leeftijd van 9 maanden tot een jaar bereiken ze hun definitieve omvang van ongeveer 100 cc.

Behalve dat de hersenen van een pasgeboren pup erg klein zijn, hebben zij ook nog niet hun uiteindelijke structuur. Ze zien er geleiachtig uit, omdat de vezels die de neuronen met elkaar verbinden nog niet de vettige, witte schede (de myelineschede) gevormd hebben die zorgt voor de snelle verbinding tussen de verschillende hersencentra. Deze myelineschede zorgt er tevens voor dat de boodschappen die door de cellen getransporteerd worden niet interfereren met die van de buurcellen.

 

De hersenen van de pup worden zelfs al door de omgeving beïnvloed voordat de pup geboren wordt. Onderzoek heeft aangetoond dat wanneer de moeder tijdens de dracht erg gestrest is, haar nakomelingen relatief angstige dieren worden. Als de moeder in het laatste stadium van haar dracht steeds erg gespannen is, zullen haar pups een verminderd leervermogen hebben, in sommige opzichten extreem gedrag vertonen en erg emotioneel reageren. Dit is mogelijk een rechtstreeks gevolg van de grote hoeveelheid stresshormonen (corticosteroïden) die door de moeder geproduceerd worden.

Wat de hersenen van een ongeboren pup mogelijk ook beïnvloedt zijn de broertjes en zusjes die zich naast hem in diezelfde baarmoeder ontwikkelen. Uit gegevens blijkt dat wanneer er veel mannelijke pups in de baarmoeder zitten, er zoveel mannelijke hormonen (androgenen) in de embryonale vloeistof terechtkomen dat dat invloed heeft op alle pups. Teefjes die geboren worden in een nest met hoofdzakelijk reutjes gedragen zich mannelijker. Dat wijst erop dat hormonen van hun broertjes de vorming en het functioneren van hun hersenen hebben beïnvloed toen ze nog in de baarmoeder zaten.

De inprenting

Als een pup eenmaal geboren is zorgen zijn ervaringen voor belangrijke veranderingen in de zich ontwikkelende hersenen. De etholoog Konrad Lorenz uit Oostenrijk heeft hier onderzoek naar gedaan in 1935 bij jonge gansjes die kort nadat ze uit het ei waren gekomen, hun ouders overal achterna liepen. Maar vreemd genoeg zullen ze, wanneer ze door mensen uitgebroed worden in een omgeving waar geen volwassen ganzen zijn, vaak hun menselijke verzorgers volgen. Lorenz noemde dit proces inprenting. Het dier richt zich op de eerste bewegende voorwerpen die zijn zintuigen prikkelen. Dit bepaalt zijn gedrag voor de rest van zijn leven. Een van de bijzondere eigenschappen van inprenting is dat door dat mechanisme de karakteristieken van een hele soort vastgelegd worden in het nieuwe individu.

Lorenz ontdekte ook dat de inprenting maar een beperkte periode is, de kritieke periode. Deze periode verschilt per diersoort en heeft een beperkte duur.

Lorenz en andere ethologen en psychologen die de kritische periode hebben onderzocht, ontdekten dat er verschillende kritische perioden zijn voor verschillende aspecten van gedrag. Zeer vroege inprenting komt vooral voor bij nestvlieders, deze leren heel snel hun soortgenoten herkennen. Bij nestblijvers is deze periode veel later.

 

In de jaren 50 ging men het begrip kritische periode ook bij honden gebruiken en werd de kritische periode gedefinieerd als speciale leeftijd waarop een minimale ervaring een maximaal effect heeft op het latere gedrag. Het verschil aan inspanning die nodig is om eenzelfde effect op andere leeftijden voor elkaar te krijgen, geeft aan hoe ‘kritisch’ die periode is. Wanneer een kleine gebeurtenis op een leeftijd van 3 weken gemakkelijk een bepaald gedrag bewerkstelligt en dat gedrag op een latere leeftijd met geen mogelijkheid aan te leren is, hebben we te maken met een starre, niet flexibele kritische periode die te vergelijken valt met wat Lorenz vond bij zijn ganzen. Maar wanneer we op die latere leeftijd, door een uren-, weken- of maandenlange training, met veel geduld eindelijk dat gedrag wel weten te bewerkstelligen, dan is die periode nog steeds heel belangrijk, maar moeten we toch niet spreken van ‘kritische periode’ omdat er daarna toch nog veranderingen kunnen optreden. Men spreekt dan ook liever van een ‘gevoelige periode’.

De neonatale periode (0 tot 12 dagen)

De eerste gevoelige periode duurt iets minder dan 2 weken. De pup wordt dan waarschijnlijk vooral op geur ingeprent. De pups komen af op de geur van het speeksel van de moeder en vinden de moeder ook door de warmtesensoren in hun neus. Uit onderzoek blijkt dat, wanneer de tepels van de moeder met water en zeep gewassen worden, de pups ze niet kunnen vinden.

Tijdens deze fase wordt het gedrag van de pups voornamelijk gestimuleerd door prikkels van buitenaf.

Onderzoek heeft uitgewezen dat een milde vorm van stress (oppakken, strelen, aaien en verandering van temperatuur) in deze periode, uitstekend is voor de ontwikkeling van de pup van deze jonge leeftijd. Pups die tijdens deze eerste gevoelige periode veel zijn opgepakt en daardoor een milde vorm van stress hebben gekend ontwikkelen meer zelfvertrouwen, zijn later minder angstig en kunnen beter problemen oplossen. Ook gaan ze meer op onderzoek uit en schijnen ze in hun latere leven minder van streek te raken door onverwachte gebeurtenissen, harde geluiden en felle lichtschijnsels. Het oppakken hoeft niet lang te duren: 3 minuten per dag in de 1e 3 weken van hun bestaan geeft al een duidelijke verbetering.

 

Overgangsperiode (13 tot 20 dagen)

Dit is een periode van snelle veranderingen. Het hulpeloze gedrag dat kenmerkend was voor de neonatale fase ontwikkelt zich  tot gedrag dat meer lijkt op dat van oudere pups en volwassen honden. Toch duurt dit hele proces niet langer dan een week.

Het belangrijkste is dat in deze periode de overige zintuigen gaan functioneren zoals het openen van de ogen en het openen van de gehoorgang. Ook zie je in deze periode het eerste weloverwogen sociale gedrag. Het begint met stoeipartijtjes waarbij hij met zijn staart kwispelt, blaft en zelfs gromt. Ook ontwikkelt hij een sociale bewustzijn. Zijn nestgenoten worden speelkameraadjes in plaats van warmtebronnen.

In deze periode is het van belang door te gaan met oppakken van de pup en kun je ook prikkels gaan geven dmv je stem. Een radio en/of tv is ook heel goed om nu bij de pups aan te zetten.

 

De socialisatieperiode (4 tot twaalf weken)

Deze omvat de volgende 9 weken, en is de meest invloedrijke periode in het leven van een pup. Deze periode zou je kritische periode kunnen noemen. Sommige gebeurtenissen die tijdens deze periode plaats vinden, of prikkels die juist achterwege blijven, zullen het gedrag van de hond voor altijd beïnvloeden. Oplossingen vinden voor probleemgedrag dat het gevolg is van ervaringen in deze periode, is buitengewoon moeilijk en soms zelfs onmogelijk.

Socialisatie is het proces waarbij een individu kennis opdoet over zijn sociale omgeving. Hij leert wat zijn ‘roedel’ wat hem verwacht en maakt kennis met alle regels en gedragsvormen die hem in staat stellen om een volwaardig lid van een groep te worden. Hij moet daarnaast ook functioneren in de mensenwereld en dus moet hij socialiseren met mensen.

Om adequaat te socialiseren is het voor een pup van essentieel belang dat hij tijdens de socialisatieperiode voldoende contact heeft met honden. Omdat te bewijzen zette J. Paul Scott in het laboratorium van Bar Harbor een nogal extreem, maar wetenschappelijk verantwoord onderzoek op. Een pup werd op de leeftijd van eenentwintig dagen uit het nest gehaald en vervolgens volledig geïsoleerd van andere honden. Ook had hij beperkt contact met mensen. Zijn verzorger mocht niet met hem spelen of tegen hem praten. De pup kreeg wel voldoende eten en water. Dat betekent dat de pup toen hij zestien weken oud was, afgezien van de eerste 21 dagen van zijn leven, geen enkel contact had gehad met andere honden en slechts minimaal contact met mensen. Op de leeftijd van 4 maanden werd deze pup weer teruggeplaatst bij zijn nestgenoten. Hij herkende ze niet, noch als nestgenoten, nog als zijn eigen soort. De isolatie van de pup tijdens de kritische socialisatieperiode had hem zo ernstig beschadigd dat hij zich later nooit heeft kunnen aanpassen aan honden of mensen. De ongelukkige pup was nu te oud. Toen dit patroon eenmaal in zijn hersenen was verankerd was het niet meer mogelijk dat te veranderen. Voor de rest van zijn leven meed deze hond zijn soortgenoten, zowel op sociaal als seksueel gebied.

 

Het vermogen van een hond om te socialiseren met een andere diersoort is van wezenlijk belang voor sommige belangrijke functies die wij van honden vragen. Herdershonden vormen een prachtig voorbeeld van socialisatie. Er zijn 2 typen herdershonden die in dezelfde omgeving opgroeien. Beide moeten reageren op dezelfde prikkels uit de omgeving, namelijk op schapen. Het ene type, de veedrijvers, drijven de schapen op, terwijl het andere type, de schapendoezen, zoals de Berghond van de Maremmen, de Pyreneese Berghond of Kuvasz de schapen bewaken. Gedragswetenschappers dachten vroeger dat het bewaken, net als het opdrijven, genetisch geprogrammeerd was. Onderzoek heeft aangetoond dat dit niet zo is.

Veel herdershonden, zelfs wanneer zij komen uit een lange foklijn van uitstekende veedrijvers en schapenhoeders, blijken waardeloos voor hun taak. Ze rennen weg van de kudde of vallen de schapen aan. Het verschil tussen een goede herdershond en een slechte schijnt minder te maken te hebben met de genetica dan met wat de hond in zijn jeugd heeft meegemaakt en met zijn socialisatie.

De traditionele manier om een schapenhoeder op te voeden is hem grootbrengen samen met de schapen die hij uiteindelijk zal moeten beschermen. De pup leeft bij de schapen vanaf een leeftijd van 4 of 5 weken tot hij 16 weken oud is. Afgezien van een dagelijks rantsoen dat hij van de herder krijgt, moet de pup tussen de schapen voor zichzelf zorgen. Zijn sociale interacties zijn hoofdzakelijk met schapen. Hij groeit op met de kudde en leeft zijn verdere leven daarmee samen. Als een predator, zoals een wolf, of een coyote de kudde benadert zal de hond erop af rennen. Het is niet duidelijk of dat het gevolg is van de drang om de kudde  waarop de hond nu gesocialiseerd is te verdedigen of dat het gewoon gebeurt omdat de hond op onderzoek uitgaat naar dit vreemde, nieuwe dier. In beide gevallen is de naderbij sluipende predator verstoord. Deze zal op de vlucht slaan of agressief reageren door naar de herdershond te happen. Hierdoor zal de hond zich vijandig gaan gedragen wanneer hij opnieuw geconfronteerd wordt met zo’n predator. In beide gevallen wordt de kudde beschermd en gaan er geen schapen verloren.

Sommige mensen gaan ervan uit dat de hond denkt dat hij een schaap is omdat hij met de schapen is opgegroeid en hij dus zijn eigen soort verdedigt. Maar dat klopt niet helemaal. Herdershonden weten dat ze honden zijn. Hoewel ze sociaal gedrag vertonen tegenover schapen is dat gedrag echt hondengedrag, en dat is heel anders dan sociaal gedrag van schapen onderling.

Er is onderzoek geweest naar de periode waarop honden gesocialiseerd moeten worden met mensen, waarbij men de pups op verschillende leeftijd voor het eerst met mensen in contact heeft gebracht. Later onderzoek bevestigde dat volledige socialisatie op mensen alleen effectief is wanneer dit na de 3e en voor het einde van de 12e week plaatsvindt.

 

Het contact dat een hond met mensen nodig heeft hoeft helemaal niet zo lang te zijn. Uit onderzoeken is gebleken dat in de periode van de 4e tot de 12e levensweek niet meer dan 20 minuten per week genoeg is om te socialiseren. Enig sociaal contact in die periode is essentieel, maar meer een actief sociaal contact geeft het best resultaat. Ook is belangrijk om het contact te spreiden over een aantal dagen. Naarmate pups meer tijd in de buurt van mensen doorbrengen, krijgen ze meer zelfvertrouwen, worden ze minder bang voor onbekenden en ontstaat er een sterkere emotionele band met de personen bij wie ze later zullen wonen en die voor hen zullen zorgen.

 

Leren socialiseren

 

Socialiseren betekent ook de regels leren die gelden in de groep waartoe de hond zal gaan behoren. De hond moet signalen leren interpreteren en zelf met de goede signalen reageren. Sommige van die vaardigheden leert hij door interactie met volwassen honden, maar een belangrijker deel komt uit het contact met de nestgenoten. Het nest fungeert als een soort miniatuurroedel en de pups reageren op elkaar met speels, agressief en seksueel gedrag. Ze proberen hun dominantie over hun nestgenoten te demonstreren met genetisch vastgelegd gedrag zoals aanstaren, elkaar bestijgen of in elkaars snuit bijten. Ze ontdekken hoe je met elkaar om moet gaan door te zien wat voor reacties hun gedrag oproept.

Het staat vast dat pups die te vroeg gespeend of te jong uit hun nest zijn gehaald, harder en eerder bijten dan pups die tot een leeftijd van 8 weken in het nest blijven.

Pups leren op deze leeftijd ook de basisvaardigheden van het communiceren. Heel jonge pups kwispelen bijvoorbeeld niet met de staart. Meestal zie je de eerste kwispels pas ergens in de 3e week. Honden die vanaf hun geboorte zonder andere honden met de fles zijn grootgebracht kwispelen heel weinig. Bovendien ontgaan hun vaak de subtiele kwispelsignalen van andere honden. Ze schijnen moeilijker onderscheid te kunnen maken tussen een opgeheven staart en de kleine, snelle staartbeweging die op dominantie en dreiging duiden, en de brede kwispelbewegingen van een lager gehouden staart die erop duiden dat een hond geen agressieve bedoelingen heeft. Deze honden zijn sociaal gehandicapt.

 

De methode die de moeder gebruikt om haar pups te leren hun afhankelijke relatie om te zetten in een relatie waarin dominantie en onderwerping een belangrijke rol spelen, bepaalt het karakter van de opgroeiende hond voor de rest van zijn leven. Voor het toekomstige sociale leven van de pup is het absoluut noodzakelijk dat hij leert omgaan met dominantie en onderwerping. Je zou kunnen zeggen dat wat een pup werkelijk leert als zijn moeder naar hem bijt of gromt wanneer hij probeert te drinken, niet is ontzag hebben of bang te zijn voor iemand die groter is, maar eerder dat hij daardoor leert dat het in het leven draait om geven en nemen. Hij leert wat zijn positie in de sociale hiërarchie is en welke rol er bij zijn capaciteiten en zijn rang past. Onderzoek toont aan dat pups die de eerste 10 weken van hun leven nooit worden gestraft bijna niet af te richten zijn. Pups moeten leren om gezag te respecteren en dreiggedrag te begrijpen, maar ze moeten niet zo ruw worden gestraft dat zij zich emotioneel terugtrekken, geen initiatief meer durven nemen en daardoor niet meer in staat zijn om later op een normale manier met mensen en andere honden om te gaan.

 

De juveniele periode

 

Aanvankelijk dacht men dat de socialisatieperiode eindigde rond de 12e levensweek, waarna de juveniele periode aanbrak die duurde tot de pup zo’n 6 maanden oud was. In die juveniele periode zou het sociale gedrag volwassen vormen gaan aannemen. Maar tegenwoordig weten we dat het einde van de socialisatieperiode niet zo duidelijk afgebakend is. Er bestaan hierin zelfs verschillen tussen hondenrassen: bij sommige rassen duurt de socialisatieperiode langer dan bij andere. Uit de mate van neotenie zijn sommige aspecten van het socialisatieproces te voorspellen. Honden met lange, smalle snuit en rechtopstaande oren – die er dus wolfachtig uitzien – schijnen een scherper afgebakende socialisatieperiode te hebben, terwijl honden met een meer puppy-achtig uiterlijk – met een kortere snuit, grote ronde ogen, een ronde kop en hangende oren- een langere socialisatieperiode hebben die veel minder abrupt eindigt. Bij alle rassen vinden we aan het eind van de socialisatieperiode een toenemende angst voor nieuwe dingen, mensen ,dieren, plaatsen en gebeurtenissen. Die angst voor het onbekende bereikt meestal een hoogtepunt tussen de 12 en de 14 weken en leidt ertoe dat de pup in die periode minder ondernemend is.

Hoewel de socialisatie in de periode tussen de 4 en 12 weken al wel op gang is gekomen, is ze nog niet voltooid en valt er nog veel aan te verbeteren. Honden die op een leeftijd van 12 weken goed gesocialiseerd zijn, maar vervolgens tijdens hun juveniele periode geen regelmatig contact hebben met mensen en andere honden kunnen allengs minder goed gesocialiseerd worden. De socialisatie dient tijdens de kritieke periode te beginnen, maar moet beter ingeprent worden door frequente sociale interacties totdat de hond 6 of 8 maanden oud is.

Tijdens deze periode moet de hond in contact komen met allerlei levende wezens die hij in zijn latere leven tegen zal komen. Hij moet kennis maken met koeien, paarden en schapen, andere huisdieren, met dingen die bewegen zoals ventilatoren, tuinsproeiers, motorfietsen etc. etc.

 

Socialisatie is een proces dat in verschillende fases verloopt. Tijdens de 1e fase leert de hond wie en wat hij is, tot welke soort hij behoort en met wie sociale interactie mogelijk is. Om effectief te zijn moet deze 1e fase een relatief korte periode beslaan. Tijdens de 2e fase doet de hond ervaringen op over zijn sociale wereld, hoe hij zich daarin moet gedragen en wat er van hem wordt verwacht. Ook leert hij dan alle regels en gedragingen die hem in staat stellen om als lid van een bepaalde groep te functioneren. Deze 2e fase is ingewikkeld en duurt misschien zijn hele verdere leven, - eigenlijk net zoals dat bij mensen echt geval is.

 

Bron: De psychologie van de hond door Stanley Coren